De notaris: uw raadgever

Zeer kort samengevat luidt het antwoord op bovenstaande vraag:

"De notaris geeft u raad"

Hij is slechts een telefoontje of een mailtje van u verwijderd. Hij zal op uw vragen antwoorden en de mogelijke oplossingen voorstellen. De notaris is niet enkel uw raadsman maar tevens uw steun en toeverlaat in de moeilijke momenten van het leven.

In de meeste gevallen zult u zonder vergoeding raad kunnen bekomen bij uw notaris.

U KUNT STEEDS VRIJBLIJVEND EN ZONDER KOSTEN ELK DOCUMENT DAT U TER ONDERTEKENING WORDT VOORGELEGD EERST DOOR UW NOTARIS LATEN NALEZEN.

Als u uw notaris vraagt een akte voor te bereiden zal hij u voor zijn werk een ereloon aanrekenen. Slechts een miniem deel van de “notariskosten” zijn ereloon. Met dit honorarium dient de notaris de algemene kosten van zijn kantoor alsook het loon van zijn medewerkers te betalen.

De “notariskosten” bestaan uit drie delen:

De Registratierechten, welke het grootste deel uitmaken van de kosten en rechtstreeks naar de Belgische Staat gaan.
Het ereloon is door de overheid vastgelegd. Dit wil zeggen dat de notaris niet meer, maar ook niet minder mag vragen. Rondbellen van de ene naar de andere notaris heeft dus geen zin. Indien een notaris of tussenpersoon u voorspiegelt goedkoper te kunnen werken, zal dit allicht zijn omdat hij sommige formaliteiten en opzoekingen niet of onvolledig doet.
De eigenlijke aktekosten zoals zegelpapier, kadastrale uittreksels, bodemattesten, hypothecaire getuigschriften, fiscale, stedenbouwkundige en andere opzoekingen … Ook deze aktekosten zijn meestal forfaitair bepaald.

Met de organieke wet van 25 ventôse jaar XI (16 maart 1803) behoorde het notarisambt van het ancien régime definitief tot het verleden.

De Ventôse-wet erkende de stage als enige opleiding tot het notariaat. Er werd dan ook een stage van zes jaar voorzien. Na deze stage diende de leerling bij de Kamer van Notarissen van zijn ressort een proef af te leggen teneinde een stagecertificaat te bekomen.

De stage in het notariaat is een restant van de corporatieve inrichting van het beroep, het was de opleiding en de voorbereiding tot het meesterschap.

Misbruiken bij het afleveren van stagecertificaten leidde tot de Wet van 15 juli 1849, dat het examen invoerde tot het bekomen van de graad “kandidaat-notaris”.

Volgens de nieuwe wet kon “niemand tot notaris benoemd worden, indien hij niet door een speciale jury geëxamineerd was geworden over het burgerlijk wetboek, de organieke wet over het notarisambt, de financiële wetten ter zake, alsook over het opstellen van akten”. De examinandus diende geen voorafgaand diploma te bezitten.

Vanaf 1861 moest de examinandus minimum een diploma van graduaat in de Letteren bezitten.

De wet van 1 mei 1857 vermeldt voor het eerst het begrip kandidaat-notaris als academische titel.

De studieduur om “kandidaat-notaris” te worden werd in 1890 vastgesteld op drie jaar, doch hij die reeds Doctor in de Rechten was, diende enkel een enige proef af te leggen.

De wet van 21 mei 1929 verving de academische graad van “kandidaat-notaris” tot “licentiaat in het notariaat”. Deze nieuwe wet wijzigde ingrijpend de notarisopleiding. Vooraleer de licentie in het notariaat te kunnen aanvatten moest men de graad van kandidaat in Letteren en de Wijsbegeerte behalen.

Pas door het K.B. van 1 augustus 1969 werd de vereiste gesteld dat de graad van licentiaat in het notariaat slechts kon behaald worden door licentiaten in de Rechten en na minimum één jaar studie.

De wetenschappelijke vorming drong zich in het notariaat op en men stelt een evolutie vast van een notariaat als minst gevormd juridisch beroep tot meest gevormd juridisch ambt. Het diploma evolueerde van een enige proef in 1849 tot de licentie in het Notariaat die slechts kan behaald worden na de licentie in de Rechten.